| De ruïne Montfort (door A.F. van Beurden, Buiten, 9 december 1911, pagina 584-585) In Midden-Limburg, kort bij Roermond, ligt eene ruïne, die om vorm, hardheid van materiaal, ouderdom best op een der mooie punten aan den Rijn kon liggen en dan zeer zeker door het volk en de dichters met sagen en legenden volop omweven zou zijn. Nu ligt de 'Tomp' zooals de merkwaardige bouwval ook geheeten wordt een dikke anderhalf uur van Roermond in de richting van Maastricht en de lange, breede Rijksweg, die er ons op aan moet leiden is voor automobielen en voor wielrijders een bizonder aangename weg, maar is voor den wandelaar, die er op uittrekt om meerkwaardigheden te bezichtigen wel wat al te eentonig. Daarom nemen wij een spoorkaartje buurtverkeer en snorren langs de eindelooze rij boomen van de heerbaan heen. In de verte zien wij allerlei kasteelen, landhuizen, groote boerenhoeven liggen - in Limburg niets ongewoons- begroeten de dubbeltorens van Sint Odiliënberg, het aloude Sint Petersberg en tal van andere torens der kort bijeenliggende dorpen.
Wij stappen in Maasbracht-Linne af. Het station is één van die leelijke, landschap-ontsierende, doodvervelende gebouwtjes, waarvan de vroegere bouwkundigen van den aanleg bij de Staats Spoorwegen het grandioze geheim bezaten, en dat gelukkig thans verloren schijnt te zijn. Wij gaan den overweg over, meenende spoedig in Montfort te zijn, maar men wijst ons den naasten weg en deze blijkt niet de gemakkelijkste te zijn. 'Weg' mag het slechts een paar honder schreden genoemd worden, dan gaat hij over in een voetpad, dat 'kris en kras' door het hakhout slingert. Een wit huisje aan de beek blinkt door het hout, we gaan ovre het vlonder tot ene hof, het Rozendaal geheeten, wellicht naar de witte rozen die in duizend windingen om gevel en over 't dak gegroeid zijn. Hier stijgt de weg en komt het zang voor goed aan de oppervlakte. Geen nood, we gaan verder en zien Montfort met zijn roode daken, spichtig torentje, in een kring van geboomte voor ons liggen. Rechts in de met hoog opgeschoten boomen omzette vijvers weerspiegelen zich de indrukwekkende overblijfselen van de historische burcht en komen de hoekige muurbrokken scherp en vierkant tegen de lucht uit. Boven het lage land teekenen zich de eens zoo sterke torens af en leggen nog getuigenis af van het geweld, dat aan het trotsche slot geschiedde. Straks willen wij het kasteel bezoeken, ten einde het in bijzonderheden te bezien en ons nog eens te overtuigen van den wansmaak van een vroegeren bezitter, die op een der grondslagen van een zijtoren een foeileelijk achtkant tuinhuis zette, meenende tot de herstelling van het monument en zijn eigen gemak al heel wat gedaan te hebben. Onze verdere weg naar Montfort valt nu samen met den gemeente kiezelweg, waarop een handwijzer de afstanden aangeeft. 't Kan er beter op geworden zijn, maar vroeger hadden wij een onoverwinnelijk wantrouwen gekregen in die wegwijzers, want gewoonlijk was er op de aangegeven lengte gesmokkeld en 't meest nog, als de afstanden in uren en gedeelten uitgedrukt waren. Een honderdtal meters van den weg liggen nog breede grachten, wellicht zijn dit de laatste resten van de versterkingen, die Montfort moesten beveiligen; want Montfort - hoe klein ook - was hoofdplaats van de Ammanie Montfort en werd gerekend onder de steden. Geen spoor is er thans meer van een poort te vinden. Links en rechts voor ons liggen de huizen dooreen, zonder eenige regelmaat. Wij gaan kasteelwaarts. Eenige geschiedkundige bizonderheden over 't kasteel zullen niet ondienstig zijn en onder het betreden van den eneigen weg, die door het groote, thans drooggelegde moeras naar 't slot voert, willen wij deze bespreken. Vóór het jaar 1267 weten wij met zekerheid niets over Montfort te vertellen. In dat jaar echter belegerde Hendrik van Gelre de voorstad Wijck bij Maastricht en nam den grooten toren, een overblijfsel uit den grijzen voortjid, die aan de brug stond. Hij gebruikte de steenen en de materialen, om het slot Montfort weer op te bouwen. Hendrik van Gelre was op zeer jeugdigen leeftijd tot Bisschop gekozen en bleef van 1247 tot 1274 elect of gekozen bisschop, wat ook maar goed was, want hij was beter krijgsman dan bisschop. Hij werd wegens wederspannigheid van zijne waardigheden ontzet en ten slotte op 23 april 1285 door Dirk van der Weijden doodgeslagen en in het bosch bij Montfort begraven. Later werd zijn lijk naar Roermond gevoerd en daar in de prachtige Munsterkerk aan de voeten zijner ouders Gerard van Gelre en Richardis van Nassau begraven. Dirk van der Weijden had hem met een vijfhoekig wapen doodgeslagen. Bij het openen van het praalgraf in het Munster te Roermond tijdens de herstelling van het gebouw vond men het geraamte van Hendrik en in den schedel de vijfhoekige opening door den knots veroorzaakt. Een gipsafgietsel berust nog op het Roermondsche stadhuis.
Het kasteel Montfort lag op een 150 meter afstand van de tegenwoordige vlek in een moeras. De volksoverlevering wil, dat de steenen per schip daar gebracht zijn, wellicht van de Maas door het laag gelegen gedeelte en van daar met karren tot hier. De burcht had eertijds een zeer krijgshaftig aanzien en was zóó sterk, dat eene belegering van vier maanden noodig was, om ze in te nemen. In een vierhoek van breede, diepe grachten, die men over een ophaalbrug overschrijden kon, lag eene schans met bolwerken op de vier hoeken. Hierbinnen verhief zich het sterk, volkomen middeleeuwsche slot, uit groote blokken natuursteen en mergel opgetrokken. Deze mergel is uit de omstreken van Maastricht, wellicht uit den Sint Pietersberg, afkomstig. Het front lag naar den Zuidkant. Drie zware torens beschermden het. Ook van de achterzijde staken twee massieve torens hunne logge daken omhoog. Overal in de muren waren breede schietgaten in de drie meter dikke, van kanteelen voorziene muren uitgespaard. Men trok door twee poorten met ijzeren valdeuren, eer men in het eigenlijke hoog opgebouwde kasteel kwam. De hardsteenen put en de kapel lagen binnen deze veste. Sommige geschiedschrijvers zeggen, dat de Elect dit slot om zijne sterkte Montfort of Sterkenburg doopte. Hier werd verblijf en hof gehouden, en was de zetel van de Ammanie Montfort, die de stedekens Echt, Nieuwstadt en Linne en de dorpen Posterholt, Vlodrop, St. Odiliënberg en Roosteren omvatte. Ook in lateren tijd, toen de heeren zelf op het slot geen verblijf meer hielden, woonden er de vertegenwoordigers der heeren, de Drossaerts op, waarom bij het volk de ruïne ook nog wel de 'Drossert' genoemd wordt. In de XIVe eeuw kwam Montfort aan de Graven van Gelre en kreeg dezelfde stadsvoorrechten als Roermond. Montfort als boerendorp geboren, heeft zich trots zijne voorrechten, niet kunnen verheffen. Het slot is eens de gevangenis geweest van den ongelukkigen graaf Reynoud van Gelre, die er door zijn zoon in opgesloten werd. De sage wijst nog in de ronde krocht van den middentoren aan de zijde van Echt, de gevangenis van den ouden graaf. De ongelukkige vader stierf te Montfort, diep vernietigd naar den geest, op 9 october 1326. Men wil, dat de eerste bezitters het slot tot eene staatsgevangenis ingericht hadden; anderen noemden het een jachtslot, wat minder aannemelijk is door de groote verdedigingswerken, die er rondom aangelegd werden. Toch pleit de wildrijkheid der streek wel voor die veronderstelling. Zelfs nu nog vindt men in de moerassen en de weilanden genoegzaam wild. Voor jaren werd in een jaar 1300 water- en houtsnippen geschoten. Maar de ontginning der gronden, de aanleg van weiden, de kanaliseering der lage gronden in het belang van den landbouw heeft het wild verdreven, dat rustiger plaatsen opzoekt. Wij willen ons nu een blik gunnen op de uitgebreide ruïne, die zich bijna 5 meter boven den omringenden boomgaard verheft. Vóór de ruïne ligt de kasteelhof en langs den zijgevel gaande, komen wij aan den trap, die naar boven voert. Nog twee torens naar de Echter zijde staan gedeeltelijk rechtop, terwijl aan den kant van Montfort een leelijk achtzijdig tuinhuis op de grondslagen van den toren opgetrokken is, in volslagen disharmonie met de omgeving. In de nog bestaande muurbrokken des torens zien wij de diepe schietgaten door de muren dringen, waaruit vroeger de donderbussen hunne bulderende stem deden hooren en dood en verderf van uti hun hooge standplaats in het legerkamp der vijanden aan gene zijde der moerassen brachten. De hoogopgaande grondslagen van het slot zijn nog bewaard, maar overigens is het zoo vernietigd en verwoest, dat duidelijk te zien is, dat de overwinnaar alleen liet staan, wat niet te verbrijzelen was. 't Is een volledig beeld van vergane grootheid, van stilte, van verdwenen kracht. De ruïne Montfort staat er als een overblijfsel uit den riddertijd, hoekig van vorm, sterk van gesteltenis, van 't zelfde soort als de ridders in hun stalen pantser, die haar eens bewoonden. |
|